stripinfo.be wordt gratis aangeboden, maar de site in de lucht houden kost wel geld. Daarom vragen wij u vriendelijk uw ad blocker uit te schakelen op deze site. Bedankt voor uw steun.

Interview

Luc Cromheecke



Je hebt in 2016 de Bronzen Adhemar gewonnen, wat tegenwoordig ook de Vlaamse cultuurprijs is. Wat doet dat met een mens?
Eigenlijk is dat wel heel grappig want mensen denken dat ik twee prijzen na elkaar heb gewonnen. Voor mij kwam het ook goed uit omdat ik net een nieuw boek in de winkel heb liggen (nvdr: De tuin van Daubigny). Dat ik hem kreeg, was wel een volledige verrassing. Je hoopt natuurlijk dat je hem ooit eens gaat krijgen in je leven.
Het is natuurlijk wel een mooi lijstje waarin je terecht komt.
Ja natuurlijk, de meesten zijn wel echt heel bekende tekenaars en dan is dat wel plezant om daar bij te horen, zeker omdat mijn strips vooral bekend zijn bij het Frans publiek, en niet zozeer bij een Vlaams publiek. En het rare is dat ik buiten mijn nieuw boek, bijna geen boeken heb die in Vlaanderen zijn uitgegeven. Enkel van Roboboy zijn de eerste drie of vier bij Dupuis in het Nederlands verschenen.

Ja maar oorspronkelijk zijn die uitgekomen bij de Franse tak van Dupuis en die zijn dan wel vertaald naar het Nederlands.
Dat ligt natuurlijk ook aan het feit dat er geen Nederlandse versie meer bestaat van Spirou (het weekblad Robbedoes).
Nee, spijtig genoeg niet.
Je bent nog een van de gelukkigen die heeft mogen mee profiteren van de weekbladen.
Wel, ik werk nog altijd voor Spirou en hoop dat dat nog eventjes kan duren (lacht). Dat is wel plezant want ik werk nu elke week voor Spirou. Ik maak een vaste cartoon op de laatste pagina. Die cartoon maak ik nu al… ik denk 15 jaar of zo. Ik ben nu ook met een nieuwe serie bezig, nog een beetje geheim.
Daar mogen we nog niks van weten dan?
Nee (lacht)
Daar gaat mijn primeur.
Tja, geheim is het niet zo, maar het moet een beetje een verrassing zijn.
Hebt u enig idee wat de oplage nog is van Spirou in Frankrijk?
Volgens mij is dat toch nog tussen de 60 en de 70 000 exemplaren per week, dus dat is eigenlijk niet slecht. Het zou het tweede grootste weekblad zijn na het Journal de Mickey. Daar heb ik ooit ook nog ingestaan.

Denk je dat de toekenning van de Bronzen Adhemar ook te maken heeft met je nieuwe album: de tuin van Daubigny?
Ah nee, want ik heb hem in 2015 al gekregen. Eigenlijk is de prijs in twee delen gekomen. Op het stripfestival heb ik een gouden beeldje gekregen. En de geldprijs, allez, de cultuurprijs, heb ik pas een paar maand geleden gekregen (najaar 2016). Het zou natuurlijk wel kunnen dat veel juryleden dingen hebben gezien waar ik mee bezig was.
Het is natuurlijk zo dat humoristisch werk niet zo gewaardeerd wordt.
Dat klopt, dat klopt. Ik merk ook wel dat kinderstrips veel moeilijker gewaardeerd worden. Qua aanzien scoren ze minder, terwijl dat natuurlijk belachelijk is. Ik zie ook wel dat het Vlaams Fonds der letteren vooral serieuze strips subsidiëren. Allez, serieus tussen aanhalingsteken. Ze hebben ook grappige strips gesteund, zoals “Boerke”, maar dat is toch humor van een ander niveau.
Humor die niet gericht is op kinderen.
Nee, inderdaad, terwijl mijn strips meer naar een groot publiek gericht zijn, zowel voor volwassenen als voor kinderen.
Leeft het onderscheid tussen kinder- en volwassenstrips ook zo in Frankrijk?
In Frankrijk heb je strips voor iedereen, wat hier ook wel meer en meer aan het komen is. Al die niches hebben hun eigen strips. Het aanbod is veel groter en je hebt manga’s, superheldencomics, fantasystrips. Je hebt typische meisjesstrips, je hebt werkelijk alles. Je hebt zoveel verschillende categorieën dat je moeilijk nog kan spreken van kinder- en volwassenstrips. In de tijd van Robbedoes had je dat ook al. “German en wij” was een typische puberstrip. Nu heb je bij Dupuis voor die leeftijdsgroep “Mooie Navels”, terwijl “Kleine Robbe” bijvoorbeeld voor de nog iets jongere leeftijd is.
Even over je nieuwe boek. Hoe heb je kennisgemaakt met de persoon Daubigny?
Ik schilder al een tijdje. Ik heb op school en op de academie tekenen en schilderen gevolgd en ik vond dat heel leuk. Maar dan heb ik een hele tijd niet meer geschilderd en sinds een jaar of tien ben ik terug begonnen. Eerst op vakantie maar nadien ben ik me er meer op gaan toeleggen en ook beginnen over te lezen. Zo ben ik een aantal jaren geleden op Daubigny gestoten als een van de ‘founding fathers’ van het buitenschilderen. Wat zo fascinerend was aan die figuur is dat maar weinige mensen, ook in Frankrijk, hem kenden.

Eigenlijk was het ook een manier om aan die strips en de wekelijkse deadline te ontsnappen. Raar genoeg dacht ik toen dat het misschien wel leuk was om daar een strip over te maken. Heel toevallig had ik gehoord dat het Van Gogh-museum een grote tentoonstelling over Daubigny ging maken en dan ben ik daar gaan aankloppen. Die waren enthousiast. Dat heeft zelfs geleid tot een tentoonstelling over mijn werk gekoppeld aan dat van Daubigny, in het Mesdagmuseum in Den Haag. Dat is natuurlijk fantastisch. Je kunt er ook het werk ‘Voyage en bateau’ zien. Dat is een soort voorloper van de strip, allemaal kleine tekeningen gemaakt rond 1860, die taferelen op en rond de rivier schetsen.

Je had dan het idee om iets te maken rond de figuur van Daubigny. Ben je dan naar een scenarist gestapt?
Eigenlijk is dat heel spontaan gelopen. Op een feestje was ik daar over aan het vertellen en Bruno (De Roover) heeft zich onmiddellijk aangeboden als scenarist. Hij had veel gelezen over Daubigny en was daar zeer door geboeid. Ik had nog nooit met Bruno samengewerkt maar dat is zeer vlot verlopen. Wij hebben dan samen wat research gedaan, allez, een beetje, we zijn zelfs samen naar Auvers-sur-Oise gegaan waar Daubigny zijn atelier had.
Het was ook heel leuk om eens iets anders te doen dan die klassieke humorstrips. Ik voel ook wel dat ik andere dingen kan doen. Ik denk dat dit nog maar het begin is van een, euh, een ‘nouveau Cromheecke’ zal ik maar zeggen. (lacht) Wel dus andere dingen, maar toch ook nog grappige dingen.
In de tuinen van Daubigny is de humor nooit ver weg.
Ik vind het zelf soms nog te serieus, maar ja, elk boek is ook anders. Het is ook natuurlijk een one-shot, het is niet de bedoeling dat dat een reeks wordt. Het was voor mij ook een grafisch experiment. Ik heb het helemaal in potlood gemaakt, iets dat ik niet snel opnieuw zal doen.
Werk je anders met penseel?
Nee, pen en inkt altijd. Op het einde van het boek van Daubigny dacht ik: ik wil terug met inkt werken. Maar nu ben ik een soort van tussenvorm aan het proberen.
Er komt nog geen computer aan te pas?
Jawel, jawel, zeker. Zelf al kleur je alles in aquarel, dan moet je het nog inscannen en finetunen. Daubigny bijvoorbeeld is volledig in de computer ingekleurd.

Je bent voor dit album naar het Vlaams fonds der letteren gestapt voor subsidie. Hoe gaat dat dan in zijn werk?
Wel, dat is nog niet zo simpel. Ik heb ooit een aanvraag gedaan voor Roboboy. Toen had ik nog niet echt door dat het om meer literaire strips ging. Dus dat werd natuurlijk geweigerd. Het eerste jaar dat ik met het project Daubigny rondliep, heb ik een basis gemaakt met Bruno en dat voorgesteld. Dat is toen wel redelijk complex geworden met drie getekende pagina’s en een synopsis. Je moet dat immers wel degelijk voorbereiden. De allereerste keer is het geweigerd geweest.
Geven ze dan ook aan waarom het geweigerd is?
Ja, dat wordt dan wel duidelijk beschreven. Het jaar daarop heb ik het dan helemaal bewerkt en opnieuw aangevraagd en dan werd het wel aanvaard. We hebben dan een kleine opstartsubsidie gekregen en dan heeft het nog een twee tot drie jaar geduurd voordat het helemaal klaar was. Het jaar daarop heb ik dan een nog iets ‘serieuzere’ subsidie gekregen. Het wordt wel voortdurend geëvalueerd. Het is niet dat je carte blanche krijgt en je mag doen wat je wilt. Ik vind dat ook wel goed. Dat bewijst dat de allereerste keer dat het geweigerd werd, ook nog een geluk was. We wilden er eerst een dierenstrip van maken en dat klopte niet echt. Hoe meer tijd er over gaat, hoe beter dat ook iets wordt.
Is er veel belangstelling voor dit album in het buitenland?
Ik hoor momenteel dat ze een Engelse versie aan het maken zijn omdat die gemakkelijk te lezen is door anderstaligen, bijvoorbeeld Fransen, Duitsers of Zwitsers. Maar ik hoor vooral langs Franstalige kant interessante reacties en ook van het museum in Auvers-sur-Oise die ook wel een Franstalige uitgave willen. Maar het is nog even afwachten maar ik heb er goede hoop op.
Plannen voor de toekomst?
Ik kan er al vaag iets over zeggen. Dit project was een heel aangename ervaring en dat nodigt wel uit tot andere experimenten. Die heel strakke pagina-indeling ben ik nu ook zo beu als iets en ik wil nu wel iets meer dynamisch proberen. Je leert heel veel bij door nieuwe dingen te proberen en het is ook leuk om te zien dat je opbouwt. Ik heb jaren humoristische strips getekend. Het godvrrgeten eiland was eigenlijk ook een soort experiment voor mij. Dat was al meer dynamisch. Maar nu wil ik nog meer, minder klassieke strips maken. Het gaat nooit echt experimenteel worden want mijn doelpubliek is steeds het grote publiek.

Ondertussen blijf je werken voor Spirou?
Ja, natuurlijk. Elk project dat ik ook maak, stel ik eerst voor aan hen. Daubigny vonden zij te volwassen voor hun publiek wat ik wel kan aannemen. Het is dan ook een jeugdblad. Maar ik zal dus zowel strips voor hen blijven maken, als andere uitdagingen aangaan.

PS: de tentoonstelling in Nederland is afgelopen, maar in het najaar komt een deel van die voorstelling naar het Jacob Smitsmuseum in Mol.

pepzaza